Het meisje met de zwavelstokjes

door Johan Been


In 1875 stierf de door Johan Been zo vereerde sprookjesschrijver Hans Christian Andersen. Johan Been kende het werk van Andersen als geen ander en liet dat meermaals in zijn eigen geschriften blijken.

In zijn eerste jeugdboekje Rijmoefeningen komt een gedicht voor waarin hij zijn bewondering voor de sprookjesschrijver uitspreekt, maar hem ook verwijt dat het lezen van de sprookjes ten koste gaat van het maken van zijn huiswerk.

Enige jaren later, toen hij als 16-jarige-gymnasiast besloten had dichter te willen worden, schreef hij een gedicht van 36 kwatrijnen waarin hij Andersen's sprookje Het meisje met de zwavelstokjes in rijmvorm overzette. Het gedicht verscheen in de Nieuwe Brielsche Courant van 24 oktober 1875, twee maanden na de dood van de sprookjesschrijver. Het kan gezien worden als een eerbetoon van een schrijver in spe, die een groot bewonderaar was van Hans Christian Andersen.








Het Lucifersmeisje
uit het Engelsch (the little matchgirl)
door Johan Hendrik Been*)

De winter heerscht; het oude jaar
Buigt moede 't oude hoofd,
Natuur, zoo schoon in zomers dos,
Is heel en al verdoofd.

Een sneeuwdek hult het aardrijk in
Een oogverblindend wit;
Op schaatsen vliegt men langs de baan
In vrees'lijk snellen rit.

De avond daalt na korten dag
Reeds op het aardrijk ner,
Hij daalde in dit oude jaar
Voor d'allerlaatsten keer.

De neveldamp, door vorst verstijfd,
Valt dwar'lend op de aard.
De menigte snelt huiswaarts heen
In toomelooze vaart.

Maar n, die dwaalde in het rond
Reeds van den morgen vroeg,
Zij liep te koop met lucifers,
Die ze in haar handjes droeg.

Vergeefs had zij den heelen dag
Haar waar te koop gebon,
Nu liep zij sidderende daar
Met blauwgeverfde koon.

De winkels, bij wier helder licht
Zij heel de ko vergat,
Die doofden licht en vuren uit,
Verdonkerden de stad.

Toen dwaalde zij de straten rond
Dorst niet naar huis te gaan,
Daar zij geen stuiver had verdiend,
Zou vader haar zoo slaan.

En 't huis? Ach! 't Was daar ook zoo koud.
De wind blies door den muur
Geen deken had zij op haar lijf.
Er brandde ook geen vuur.

Steeds liep zij door. De scherpe wind
Sneed haar in 't aangezicht;
De ko drong door tot in de ziel
Van 't arme, arme wicht.

Haar lokken vallen langs den nek
In losse krullen ner.
Zij loopt op bloote voetjes, want
Zij heeft geen schoenen meer.

Maar eind'lijk valt zij moed'loos ner
In eenen donkren hoek.
Zij trekt haart bloote voetjes sam,
En dekt ze met haar doek.

Het oude jaar wordt ouder steeds.
De wind blies streng en koud.
De menschen kropen dicht bijeen
Bij 't helder vlammend hout.

De sneeuwvlok dwarrelt spelend ner
De wind huilt fel en luid
En blaast met spelenszucht en wreed
De straatlantarens uit.

Het arme meisje krimpt ineen,
Ze is ak'lig koud en stijf.
Haar handjes zijn verkleumd en blauw,
Een sneeuwlaag dekt haar lijf.

En met een blik vol angst en nood
Ziet zij haar doosjes staan;
En met bevrozen hand vat zij
Een lucifertje aan.

Zij schrapt. Mijn hemel, wat een licht!'
Wat vonken, blauw en rood!
Geen vuurwerk is zoo keurig mooi,
Wat is de warmte groot!!

Een kachel met een rode koon
Verschijnt er uit den gloed,
Met witten knop, verlakte pijp
En met een kop'ren voet.
Zij schuift zich dicht er bij. Maar ach,
Daar blaast de koude wind.
De vlam uit. 't Wordt weer donker koud,
Rondom het arme kind.

Ze steekt er wer een aan. De muur
Wijkt weg. En voor haar staat
Een pas gebraden gans. Nog nooit,
Zag 't meisje zulk gebraad.

O, vreugd, O vreugd! De gans staat op
En waggelt naar haar toe!
Nu zal het meisje eten gaan!
Wat is ze blij te moe.

Daar blaast alwer de winterwind
Het blauwe lichtje uit.
Het arme meisje, ach ze weent
En steunt en weeklaagt luid.

Maar toch, zij schrapt er wer een aan.
Mijn God, zie eens hoe schoon!
Zij ziet een hoogen Kerstmisboom
Met lichten en een kroon.

En duizend kaarsen flikkeren
En schitteren met een licht,
Dat 't meisje, duiz'lend van dien glans
Sluit be haar oogjes dicht.

Maar eensklaps dwarrelt alles door
Elkander. En het licht,
stijgt opwaarts. En 't verbaasde kind
Houdt 't oog er op gericht.

De kaarsen worden sterretjes,
Waarvan er een verschiet,
Hetgeen het meisje met een kreet
En vol verwond'ring ziet.

Nu sterft een mensch, want grootmoe
Die uit den hemel ziet,
"Zei dikwijls, "kind, daar sterft een mensch,
"Wanneer een star verschiet,"

Zoo sprekend steekt ze een lucifer
Weer aan. Mijn God, zie daar
Daar staat haar lieve grootje, die
Zij zoo bemint, voor haar.

'Ach grootjelief, blijft toch bij mij!
"Neen ga niet van mij heen,
"Gij hieldt altijd zooveel van mij,
Ach laat mij niet alleen!"

Zij grijpt in angst haar heele doos
En steekt ze alle aan.
Zij glinstren, spranklen overschoon,
Om nimmer uit te gaan.

En grootje strekt de armen uit.
Ze snelt er blijde in.
"Weet kind, zoo spreekt haar grootjelief,
"Dat ik u nog bemin.

"Al slaat u vader, en al stoot
"Uw moeder u van 't hart
"Daar leeft, mijn kind, een goede God,
"Hij zag u in uw smart."

De vlammen stijgen hooger op.
En grootje vat haar beet;
Zij vliegen naar den hemel toe,
Vergeten is het leed.

Steeds daalde nog de sneeuwvlok ner
De wind blies ak'lig kil
Geen sterv'ling toonde zich op straat.
't Was vrees'lijk doodsch en stil.

En langzaam, vreeslijk langzaam rees
De trage morgen weer.
Geen warm en vriend'lijk zonnelicht!
Daalt op de aarde ner

Maar ginder, in dien donkren hoek,
Daar ligt een lijkje ner.
Het lichaam is met sneeuw bedekt,
De ziel is bij den Heer.





*) Voor meer informatie over afbeelding en sprookje, zie website Eftepedia