1917: Een Briels Sinterklaasfeest in oorlogstijd





Honderd jaar geleden, in 1917, in het vierde jaar van de 'Grote Oorlog', kondigde de Duitse regering een onbeperkte duikbotenoorlog aan. In grote lijnen hield dat in dat de Duitsers zonder de gebruikelijke protocollen schepen binnen een bepaald Spergebied aanvielen en tot zinken konden brengen. Ook voor het neutrale Nederland had de invoering van de duikbotenoorlog gevolgen. Zo daalde het aantal schepen dat onze havens bezocht drastisch, wat ertoe leidde dat de Nederlandse voedselvoorziening zorgelijk werd.

Bijna dagelijks noteerde Been in zijn oorlogsdagboek wel iets over schaarste. In 1917 was bijna al het voedsel op de bon en was er niet voldoende brandstof voor verwarming of verlichting. In huis zat Been meer dan eens met handschoenen aan te schrijven. Buiten was het pikkedonker. De etalagelichten en straatlantaarns mochten 's avonds niet meer branden en op de Brielse dom was een rondzwaaiend zoeklicht geplaatst. De bewoners van Brielle waren in hun dagelijkse leven nauw betrokken bij de 'Grote Oorlog', die qua afstand nog veilig ver weg was, maar in de beleving heel dichtbij. Zo werden de Briellenaars meer dan eens opgeschrikt door het kanongebulder van het Belgische front. Regelmatig ook spoelden er mijnen aan, die vervolgens door de Brielse Torpedodienst onschadelijk gemaakt moesten worden, met als gevolg zo hier en daar een gesprongen ruit. Kortom, de sfeer in het stadje was op z'n zachtst gezegd grimmig. Het stadje verkeerde in staat van beleg en een vreemdeling werd al snel voor een spion gehouden. Het gemaskerd of verkleed lopen op Sinterklaasavond werd dan ook verboden.





Het feest van het Nederlandse huisgezin



Zelfs onder deze deprimerende omstandigheden wist Johan Been zowel privé als beroepsmatig de moed erin te houden bij zijn lezers. Tegen Sint-Nicolaastijd wendde hij zich met een aansporend praatje in een van zijn krantenstukjes tot alle Nederlandse ouders: 'Als de maan weer door de bomen schijnt en 't heerlijk avondje gekomen is. 't Avondje van Sint-Niklaas.? Dan zult gij, ouderen, de kinderen om u verenigen. Blijden glans zult gij om die gelaatstrekken zien. En die glans? Die zal u een teken zijn, dat er nog een toekomst voor ons volk is: dat er altijd weer een jong geslacht oprijst, vol liefde voor het huisgezin, waaruit het juist door een avond als deze, een herinnering voor gans het leven mee zal nemen, een herinnering die het nooit verliezen wil en dat het in die dagen van ellende en tegenspoed worstelen zal om tenminste die herinnering hoog en heilig te houden.(.)'

Voor het jeugdtijdschrift Jeugd schreef Been in 1914 een oorlogsgedicht waarin hij Sinterklaas lichtspottend van een reisadvies voorziet.




Zou de goede Sint wel komen, nu hij de zee zo gevaarlijk vindt?




Sint Nicolaas, goed, heilig man,
Zeg, ben je soms dit jaar van plan
Naar Nederland te rijden?
Dat breng je met je zwarten knecht
En met je schimmel nooit terecht
In deze bange tijden.

Van Spanje met de stoomboot mee?
Dat breng je licht in angst en wee;
De zee ligt vol met mijnen.
Of wil je met een groot gerucht
Door een torpedo in de lucht
Of in de zee verdwijnen?

Te land?...Daar is het thans een hel,
Je leest toch ook de kranten wel
Met al die telegrammen?
Je kwam er nooit op die manier
Of anders zagen wij je hier
Gewond of vol met schrammen.

In vliegtuig dan voor dezen keer?
Wis schoot men hier of daar je neer
Al strooi je suikerboonen.
En reisde je in een luchtballon
Die Jan de knecht besturen kon,
Men zou je niet verschoonen.

En toch, je moet maar koomen, zeg!
Je bleef, zoover ik weet, nooit weg,
We kunnen je niet missen.
Maar hoe je weg zal zijn, wel, Sint,
Vast dat je die surprise vindt
Om zelf dat te beslissen.