Een buitengewoon ongewone Kerstvertelling




Jenneke Groeneveld





Johan Beens eerste boekje met kerstverhalen bleek meteen zo succesvol dat het in het jaar van uitgave,1913, nog drie keer werd herdrukt. In de vier verhalen waaruit het boekje Kerstvertellingen bestaat, geeft Been een overrompelend eerlijke en levendige beschrijving van het innerlijke leven van zijn hoofdpersonen. Zo schrijft Been over een Brielse vissersweduwe die haar man en kind*) in de Engelse zeeoorlog verloren heeft, over een zoekgeraakt voorwerp in het huishouden van een collega- onderwijzer en over de minder bevoorrechte jongens die Been als onderwijzer van de 'armenschool' in zijn klas meemaakte. Verhalen dus uit het leven gegrepen, verhalen met een goede afloop, steeds in het licht van het naderende kerstfeest.





Het succes van zijn eerste bundeltje kerstverhalen bleef niet onopgemerkt en bezorgde hem een aantal verzoeken om een bijdrage aan het jaarlijkse Kerstboek. De eerste kerstvertelling, met de titel Simeon in de Tempel, verscheen in het derde Kerstboek voor Jong Holland (1916). De vertelling Simeon in de Tempel is gebaseerd op een verhaal uit het Nieuwe Testament. In het Evangelie van Lucas wordt gezegd dat Simeon een rechtvaardig en vroom man was die Maria en het kindje Jezus had gezegend. Het verhaal Simeon in de Tempel sloot dus qua thema heel goed aan bij de kerstsfeer en paste goed bij het christelijke genre waarop de uitgever zich richtte. De volgende bijdrage, die Johan Been voor het vijfde Kerstboek (1918) schreef, is als vertelling voor een Kerstboek zo afwijkend qua toon en thema dat zij de titel 'Kerstvertelling' nauwelijks verdient. Alleen in de laatste zin wordt het verhaal nog even snel aan het kerstfeest verbonden, maar een traditioneel kerstverhaal is het daarmee niet geworden. Niemand die dit beter wist dan de schrijver zelf en daarom noemde Been zijn verhaal: een buiten-modelsch Kerstverhaal.



Een buiten-models Kerstverhaal

De titel zegt het al: dit kerstverhaal van Been is ongewoon. Het gaat niet over Maria en Jozef, de kribbe of herders of ander vredelievend volk, maar over de Nederlandse zeevaarders en Duinkerker kapers uit de 17e eeuw, die elkaar op leven en dood bestrijden tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het Kerstverhaal voor Jong Holland van Johan Been verscheen in 1918, maar is vermoedelijk aan het begin van de oorlog in 1914 geschreven. Toen vroegen verschillende regeringen zich af hoe het probleem met de krijgsgevangenen opgelost kon worden. Hoe moesten zij gehuisvest, gevoed, gekleed en behandeld worden en voor wie waren de kosten? Het was een onderwerp dat Johan Been aansprak, aangezien hij er van oktober 1914 tot maart 1915 onderzoek naar had gedaan en er in afleveringen een omvangrijk artikel over schreef: Krijgsgevangenen tijdens de Republiek.

Krijgsgevangenen in de Tachtigjarige Oorlog

Het voetspoelen

'Maar', zo schrijft Been in zijn Kerstverhaal, 'wat moesten wij met zoveel krijgsgevangenen doen? Ten hoogste konden wij die uitwisselen tegen onze landgenoten, die door de kapers gevangen genomen waren. Maar ondanks alle voorstellen, bleef het toch 't eenvoudigst, de gevangenen over boord te zetten; dan had men er verder geen last meer aan en geen kosten ook. Zijn vijanden moest men maar uitroeien.

Tenslotte mag men niet uit het oog verliezen, dat het voetspoelen een krijgskundig voorschrift was, waarvan dus de ondergeschikten niet eigendunkelijk mochten afwijken. Het was daarom, dat de Staten-Generaal (...) aan alle admiraliteiten in 1624 een aanschrijving richtten, dat het bevel tot voetspoelen gehandhaafd moest worden.'


Het verzet tegen voetspoelen

'Korte tijd na deze waarschuwing van de Staten-Generaal, juist toen de heren dachten dat alles met het voetspoelen nu wel in orde zou zijn, moesten ze uit een rapport vernemen, dat officieren weigerden hun krijgsgevangenen over boord te zetten. En nu ging van de Staten-Generaal het bevel uit, dat de kapiteins bij eed zich tot dat voetspoelen moesten verbinden.

En daarmee groeide het verzet tegen voetspoelen. De Staten-Generaal, stelden nu met nieuwe aanschrijvingen, orders en publicaties onze zeelieden op een zware proef. Er werd beloofd en gedreigd, maar toch weigerden de zeelieden om het recht van voetspoelen toe te passen op de vijand, die zij van aangezicht tot aangezicht en dus honderd maal beter kenden dan de "reders", die op het kussen vochten.'

In het Kerstboek voor Jong Holland richt Been met dit verhaal zijn aandacht opnieuw op krijgsgevangenen, nu niet op krijgsgevangenen in het algemeen, maar op een specifieke groep, te weten zij die krijgsgevangenen werden gemaakt door Nederlandse zeelui tijdens de Tachtigjarige Oorlog, in dit geval de Duinkerker kapers die vochten aan de zijde van Spanje, met als doel de handel van de Republiek der Verenigde Nederlanden te saboteren. Om dat te voorkomen moest er strijd worden geleverd op leven en dood. Als onze zeelieden die strijd wonnen, dan werden de kapers krijgsgevangen gemaakt.

Commandeur Quast

In hun verzet tegen het voetspoelen voelden de zeelui zich geruggensteund door het optreden van commandeur Quast. Hij was het die in 1627 onder goedkeuring van de officieren van zijn schip, en van de kapiteins van de schepen onder zijn bevel, de door hem gevangen genomen Duinkerkers lijfgenade verleende en dus niet overboord wierp. 'Maar', zo vervolgt Been zijn verhaal, 'met dat al was door die onsterfelijke daad van de latere vice-admiraal Quast de order van het voetspoelen nog niet in de prullenmand gegooid. Dat gaat zo ineens niet met een voorschrift!'

Het einde van het voetspoelen

De heren die op het kussen vochten gaven zich niet snel gewonnen: ze probeerden het nog door 'met elk schip enige personen mee te geven, die dit beulswerk moesten verrichten'.

Ook hier kwam niet veel van terecht, want beulen vielen niet in de smaak bij de eerlijke zeelui. 'Daar zijn wel eens meer van dat bij Janmaat niet gewilde goedje stomtoevallig overboord geslagen! En waar ik heel blij mee ben:(zegt Been) 'van dat beulsbaantje, om het voetspoelen op de overwonnen vijand toe te passen, meldt de geschiedenis niets. Wel vindt men nog het een en ander over de bepaling van het voetspoelen zelf.

Als een aftrekkend onweer gromde die theorie van de heren nog een beetje na. Maar ten slotte heeft toch het ronde Nederlandse zeemanshart hierin de overwinning behaald. En dat mag men gerust op een Kerstavond, met de hand aan de kribbe van Bethlehem, (...) aan jong en oud vertellen.'

**************************************************



*)Op het plaatje zien we de vissersweduwe en haar troostende op zee geredde kind "het Engelschmans-jong"


**)met dank aan Hans Draaisma die spontaan aan mij het niet meer te vinden Kerstboek voor Jong Holland uitleende.