De wandelingen van Johan Been met zijn illustrators

door Jenneke Groeneveld


Het werk van Johan Been was in zijn tijd dusdanig geliefd dat zijn uitgevers bereid waren om gerenommeerde illustrators in de arm te nemen om zijn werk te verluchtigen.
In de tijd van Johan Been communiceerden die illustrators echter niet op afstand, maar kwamen in eigen persoon naar Den Briel om daar kennis te maken met de schrijver en om de Brielse sfeer te proeven. Van beide kanten moet die kennismaking een belevenis geweest zijn. Alleen de reis, die per boot of tram gemaakt moest worden, was al een avontuur op zich. En Been was niet alleen de beroemde auteur, wiens boeken geïllustreerd zouden worden, maar vooral de gastheer in een omgeving die de lezers van de manuscripten nieuwsgierig had gemaakt. Nieuwsgierig waren ook de inwoners van het afgelegen stadje, die zich vanachter hun gordijntjes afvroegen met welke kunstenaar Been nu weer door de straten wandelde. Soms werd zo'n kunstenaar het gesprek van de dag. Zo schreef Been over het bezoek van Herman Heijenbrock (1871-1948), die het boek 'De wonderbare avonturen van Jan Visch en zijn maat' (1902) zou illustreren: 'Toenmaals leidde ik de nog de in opkomst zijnde schilder Heijenbrock in een door hem zelf gefantaseerd kostuum en gehuld in een lange, om zijn rijzige gestalte in allerlei plooien gedrapeerde mantel, door de straten van Den Briel, waarvan de bewoners hem [.] voor een herrezen Spaanse grande aanzagen.'



Het huisje in de duinen waarin Jan Visch opgroeide, is een van de zes afbeeldingen, door H. Heijenbrock


Een wandeling met Johan Braakensiek (1858-1940)

Rond 1895 schreef Johan Been, op verzoek van de met hem bevriende componist Marius van 't Kruys, de tekst voor een opera waarin niet de inneming van Den Briel, maar de herovering van Den Briel op 5 april 1572 centraal zou staan. De opera werd voorgespeeld en leek veelbelovend, maar kon door de ongunstige financiële situatie op dat moment niet opgevoerd worden. Deze grote tegenslag werd, voor Johan Been althans, nog enigszins dragelijk gemaakt doordat de leestekst van de opera in twee afleveringen opgenomen werd in Elsevier 's Geïllustreerd Maandschrift van 1896. Voor de tekeningen bij de tekst werd Johan Braakensiek, de bekende illustrator van het opinieblad 'De Groene Amsterdammer', aangetrokken. Het werd een boeiende ontmoeting met daaropvolgend een blijvend contact. Terugkijkend schreef Been in een krantenstukje: 'Ik zag erg tegen dat bezoek op en bij Braakensiek was dat niet minder het geval. Hij dacht een echte boekenworm te ontmoeten [.] En ik - nu ja, ik zag in dien tijd nog een beetje met brave kleinsteedse ingetogenheid tegen alle mogelijke celebriteiten op' [.] Wat was dat van beide zijden een meevallertje en een opluchting! We waren dadelijk verbroederd en het leek wel alsof we mekaar al honderd jaar gekend hadden.'
Naast een afbeelding van de personages die een rol speelden in de opera en enkele straattafereeltjes, tekende Braakensiek ook een mooi zicht op de Catharijnekerk, gezien vanuit de Koopmanstraat. Daarna kregen zij van een Brielse notaris een lift aangeboden naar Oostvoorne [in een koetsje ongetwijfeld, JG] om daar in de duinen een geschikte plaats te vinden voor een schets voor een illustratie in de operatekst.
In de periode tot 1908 heeft Braakensiek nog vier boeken van Been geïllustreerd. Bijna 35 jaar na de eerste kennismaking ontving Been voor zijn zeventigste verjaardag in 1929 van Braakensiek een aquarel, voorstellende Maarten Harpertsz. Tromp als scheepskapitein. De kunstenaar die Beens eerste boek illustreerde, een biografie over Tromp, had geen mooier gebaar kunnen maken.



Het huisje in de duinen waarin Geerte de vlag verstopt had


Een wandeling met J. B. Heukelom (1875-1965)

Toen de illustrator Jan Heukelom er eindelijk in geslaagd was zijn afspraak met Johan Been na te komen en in Den Briel aankwam, begon het plotseling pijpenstelen te regenen. De verbaasde Johan Been die niet op zijn komst gerekend had, vroeg hem of hij oliejas en waterlaarzen had meegebracht 'om de half verdronken stad uit te tekenen'. Maar Heukelom (een taaie volgens Been) zette door want tussen de buien door zou het wel lukken. Het programma lag in grote lijnen vast, want een artikel over de wandeling zou in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift (1905) verschijnen. Been had dus al een idee van hoe de tekeningen eruit zouden moeten gaan zien. Bovendien had Been door zijn omgang met verschillende tekenaars wat kunnen leren, om bij voorbeeld 'te parlevinken van dat het hier schilder- en daar teekenachtig is.' Maar toen Heukelom de Brielse toren anders wilde hebben dan Been had uitgedacht en hij vreesde dat de taaiheid van de kunstenaar het zou gaan winnen van zijn diplomatieke aanpak, kwam er tot zijn geruststelling een stortbui opzetten. Al snel vonden zij onderdak in 't Asyl voor oude zeelieden, waar zij warm ontvangen werden. Door het raam en om het hoekje van de geopende deur kon daar juist het tafereel geschilderd worden dat Been uitgekozen had. Hierna volgden nog andere historische bezienswaardigheden, zoals de stadspomp, het poortje van het voormalige St. Catharinaklooster, het woonhuis van admiraal Witte de With, het Dijkslop met daarin het huisje van veerman Coppelstock en natuurlijk het Merula-weeshuis, een schenking van een priester die in 1482 in Den Briel geboren was en vanwege zijn geloof tot de brandstapel veroordeeld was.
De wandeling met deze 'bekwame tekenaar', zoals Been hem kwalificeerde, eindigde die dag met een bezoekje aan Beens werkplek op het archief. Daar zat, te midden van een aantal Brielse archiefschatten, Beens jeugdige klerk te wachten om geportretteerd te worden. Tijdens het schetsen van de illustratie zal Been tekst en uitleg hebben gegeven over de uitgestalde topstukken van het archief, waaronder het beroemde 'Rechtsboek van Jan Matthijssen', een boek uit de 15e eeuw, gevat in twee zwarte houten banden, betreffende het recht van de stad Brielle en het land van Voorne.
Tot 1910 illustreerde Jan Heukelom zes boeken van Johan Been.



Een wandeling met J.H. Isings (1884-1977)

Rond 1906 namen de gebroeders Kluitman de uitgeverij over die hun vader had gesticht. Beide zonen richtten zich hoofdzakelijk op jeugdboeken, wilden met hun tijd meegaan en voerden een nieuw beleid in. De gebroeders Kluitman stond een duidelijk beeld voor ogen van wat kinderen van boeken verlangden. Beens boeken voldeden bijna aan de nieuwe eis, maar hij kreeg toch de raad meer spanning en avontuur in zijn boeken te stoppen. Been volgde die raad op en schreef voor de naderende Michiel de Ruijter-herdenking het boek 'De drie matrozen van Michiel de Ruijter', met nog meer vaart dan voorheen. Voor het maken van de illustraties - want ook daarover hadden de gebroeders nieuwe ideeën - werd Johan Isings benaderd. Hij maakte 32 illustraties voor een boek van 379 pagina's. Met bijna één illustratie per 12 pagina's werd het boek voor jonge lezers een groot succes. Er volgden meer boeken waarvan 'Paddeltje, de scheepsjongen van Michiel de Ruijter' tot een ware bestseller uitgroeide.
De uitgever, de schrijver en de illustrator vormden een hecht team. De heer Kluitman was altijd aanwezig op Beens hoogtijdagen. In zijn Oorlogsdagboek schrijft Been: 'Vandaag op het strand gewandeld met de heer Kluitman, we spraken over de papierschaarste en wat dat betekende voor de manuscripten die lagen te wachten op betere tijden.' Ook wandelde Isings, met Been door Den Briel zoals ik begrijp uit een brief van Isings: 'Dankzij uw onwaardeerbare voorlichting kwam ik al reeds te elf uur 's avonds thuis'. Maar misschien bewandelde Isings zijn eigen weg, waarvoor hij niet naar het afgelegen stadje hoefde te reizen. Zo vraagt Isings in een andere brief: 'Kunt u mij ook een penkrabbeltje geven van de juiste plaats - waar het sluisje van Rochus Meeuwiszoon zat?' Hij vervolgt: 'Ik zou zoo bizonder graag 'n foto hebben vanaf den wal op de stad met de toren en kerk goed in 't gezicht. 't Liefst -voor 't licht- een morgenbeeld. 'k Zet dan wat gewapende burgers & geuzen op de wal - en daarachter de stad en de toren met 't oranje vaandel. Wilt u mij den grooten dienst doen om Robijns -uw kranige fotograaf- te vragen of hij mij, binnen een week deze foto kan bezorgen?'
Natuurlijk deed Been zijn best voor hem, maar over het sluisje van Rochus Meeuwiszoon kon Been hem niets (concreets) vertellen: daar moest Isings zelf maar wat op verzinnen.



Een fragment uit de brief van Johan Isings +)


Een wandeling met M.L. Middelhoek (1898-1986)

Johan Been en Martien Middelhoek woonden beiden in het centrum van Den Briel. Het kan dus niet anders dan dat ze elkaar eens zouden tegenkomen. Dat gebeurde in 1925 op straat, toen ze beiden voor een etalage van een boekwinkel stonden. Natuurlijk hadden ze toen al van elkaar gehoord. Middelhoek was in 1923 naar Den Briel gekomen om daar, net als zijn oudere broer Servaas, als leraar timmeren op de Ambachtsschool aan de slag te gaan. Van zowel Servaas als Martien was bekend dat ze uitstekende tekenaars waren. Been die voor zijn boeken altijd bekende illustrators toegewezen had gekregen, nam nu zelf het initiatief en vroeg de jonge leraar of hij ervoor voelde een nog te verschijnen boek voor hem te illustreren. Er moet even een jubel hebben geklonken in het hart van de ambitieuze jonge leraar. Zijn naam in het rijtje van Beens illustrators was natuurlijk geweldig en betekende een enorme uitdaging voor hem. In de 'Nieuwe Brielsche Courant' van november 1926 wordt beschreven hoe hij als beginnend illustrator succesvol werd. Iedereen kon nu lezen dat Beens nieuwste boek 'De strijd om het dode punt', evenals 'Vedertje Talisman', 'door de heer M.L. Middelhoek op een door de critiek gunstige wijze geïllustreerd werd'. Dat compliment maakte voor Middelhoek de weg vrij: naast leraar en kunstschilder werd hij nu ook een veelgevraagd illustrator. In de paar jaren tot Beens overlijden in 1930, heeft Middelhoek altijd voor hem klaargestaan met attente gebaren in de vorm van tekeningen te zijner ere. Na diens dood spande Middelhoek zich in om een wens van Been in vervulling te laten gaan: een beeld van Coppelstock in de tuin van de Ambachtsschool. Het tuinbeeld waarvoor Middelhoek gepleit had, werd al een half jaar na Beens overlijden opgericht. Behalve het Coppelstockbeeld verschenen van de hand van Middelhoek vervolgens ook een bakstenen herinneringsbank, met een plaquette met Beens portret, en twee gedenkstenen. Eén werd geplaatst in Beens geboortehuis en de andere in de Catharijnekerk, als dank voor zijn inzet voor het behoud en de verfraaiing van het gebouw.

Afsluitend kan gesteld worden dat Been altijd zorgvuldig zijn relaties met zijn illustrators*) heeft onderhouden, kennelijk beseffend dat het succes van zijn werk voor een deel ook aan hen te danken was.



-*-*-*-*-*-*-*-


+) Streekarchief Voorne-Putten; archief 478, Been.

*) Naast de hierboven genoemde illustrators zijn er nog andere kunstenaars, zoals onder anderen, Jan de Waardt, O. Geerling, Jan Wiegman, Louis Raemaekers, Jac. Jongert en Jan Sluyters, wier naam verbonden is aan de boeken en kleinere geschriften van Johan Been.