In de bijdrage voor Het Kerstboek van 1923 herschreef Johan Been het klassieke Kerstverhaal op zijn manier. Om een goede kerstsfeer te creŽren, gebruikte hij voor zijn tekst mooie ouderwetse en formele woorden. In een klassiek kerstverhaal horen natuurlijk de bekende elementen die we allemaal kennen: de oproep van keizer Augustus om naar de volkstelling naar Bethlehem te gaan, de zware tocht van Nazareth naar die stad, de overvolle herbergen, het slaapplaatsje in de stal, de kerstster, de kribbe en de aanbidding van het kindeke Jezus. Alle elementen dus die het kerstverhaal klassiek maken. Omdat Been het verhaal op zijn manier schreef, komen er veel historische uitweidingen en vergelijkingen in voor. Om Beens vertelling, als webtekst, beknopt te houden en het archaÔsche taalgebruik wat in te tomen, heb ik om die reden zo hier en daar de oorspronkelijke tekst uit Het Kerstboek *) wat bekort en vereenvoudigd.





De Heilige Nacht

door Johan Been

Voor ons, Nederlanders, is er eens een heel akelige tijd geweest. We hadden geen eigen vaderland meer, omdat het stukje land,(...)opgeslokt was door Frankrijk, toenmaals het machtigste rijk van Europa.
De Keizer van dit rijk, voor wie menig geboren Nederlander in diepen ootmoed het hoofd boog, heette Napoleon. Eigenlijk moesten wij allen het hoofd voor hem buigen. Maar velen konden maar niet die ontroerend mooie verhalen vergeten van het beleg van Haarlem en van Leiden, hoe bij Alkmaar de victorie begon en Willem van Oranje een vast verbond sloot met de machtigste Soeverein.(...)
We kÚnden niet vergeten dat we een eigen volk zijn. En al moge voor weinige of vele jaren een geweldenaar ons op de knieŽn werpen, dan gaan als vanzelf onze gevouwen handen naar die prachtige Hollandse hemel. En dŗn pas begrijpen wij ten volle, wie de Soeverein is, tot Wie zich onze vaderen wendden in de alleruiterste nood.
Zo, precies als wij onder keizer Napoleon, gevoelden zich nu ongeveer tweeduizend jaar geleden de IsraŽlieten, toen de Romeinen hun landje hadden opgeslokt. Tegen al te machtig geweld kan men op den duur geen standhouden. Wel hadden zij een geschiedenis nog mooier dan de onze, en dŗt wil wat zeggen!





Maar de Romeinen overheersten zo goed als alles, wat van de toenmalige wereld bekend was. Elke opstand werd op de meest strenge wijze dadelijk onderdrukt, en dan: 'Wee, den overwonnenen!
Overigens waren de Romeinen zo kwaad niet. Als men hun maar gehoorzaamde. Dŗt juist valt heel moeilijk, als men het met een vreemde overheerser moet doen. En net als bij ons in de dagen van de verdrukking de gedachten uitgingen naar de Prinsen van Oranje, gingen de gedachten van de IsraŽlieten uit naar de helden van het verleden, vooral naar David, de herdersjongen, die de snoevende reus Goliath had verslagen en die, door tal van avonturen heen, een hunner beroemdste koningen was geworden.
(...) Van vader op zoon was de voorzegging gegaan, dat er eenmaal uit het geslacht David een Messias zou oprijzen, de Verlosser uit ellende en druk voor allen, die voor hem de knie zou buigen, en de voorspelling luidde, dat ŗlle volkeren dat zouden doen. Mocht keizer Augustus de beheerser van het Romeinse rijk dit 'de gehele wereld' noemen, nÚg meer volkeren schuilden weg achter onbeklommen bergen, onbevaren zeeŽn, ongebaande wouden. En mŤt die van het Romeinse rijk zouden alle, ook zelfs de nog niet bekende volkeren, tot die Verlosser komen en juichen in het licht van zijn aanschijn.
Eeuwen voor en eeuwen na hadden de IsraŽlieten op de komst van den Messias gewacht. Het ene geslacht na het andere was als weggevaagd van de aarde. Maar gelijk men zelfs in het holst van de donkerste nacht voor zeker weet, dat het weer gloren zal in het Oosten, zo stellig waren de IsraŽlieten ervan overtuigd, dat de dag zou aanbreken, waarop de zone Davids geboren zou worden, de Koning, tot wie eens alle volkeren van de wereld komen zouden.







Over al die dingen en nog veel meer zaten enige herders te spreken, die de nachtwake zouden houden in een veld, ver buiten de stad Bethlehem, de stad Davids geheten, omdat die daar geboren was.
De aanleiding tot hun gedachtewisseling was de grote drukte van deze dagen in en om Bethlehem. Keizer Augustus toch wilde wel eens weten, hoeveel onderdanen hij had, waartoe een volkstelling moest gehouden worden.
Hijzelf zal vermoedelijk niet beseft hebben, welk een ontzaglijk moeite hij daardoor aan zijn onderdanen veroorzaakte.
Tegenwoordig gaat dat met biljetten, en het invullen daarvan geeft al hoofdbrekens genoeg aan de mensen, die ze moeten invullen. (...) Onder keizer Augustus ging dat evenwel nog lastiger. Ieder moest maat uitzoeken van welke stad of dorp hij afkomstig was, en met geheel zijn gezin naar die plaats vertrokken, op eigen kosten nogal, en zorgen op een bepaalde tijd aldaar aanwezig te zijn, wanneer keizerlijke ambtenaren kwamen, om de neuzen van al die opgekomenen te tellen. Waarna men weer huistoe kon gaan.
Ook van de herders was er meer dan een tijdelijk vertrokken.
Gewoonlijk bemoeiden zij zich weinig met wat er in de stad en het verdere gedeelte van het Romeinse rijk voorviel, maar nu ook was de harde wetenschap gekomen van onderdanen van keizer Augustus te zijn. (...) Om de grote kosten aan een langer verblijf verbonden, kwamen de mensen, die het niet te breed hadden, zo laat mogelijk. Daardoor liepen zij echter het gevaar van alles bezet te vinden.





En in dit geval verkeerden twee personen(..) een man op rijpere leeftijd en een nog heel jonge vrouw. (...) Hij, een van die stoere figuren uit de handwerkstand, had toch iets over zich, dat geen rijk geworden burgerman ooit voor geld zich kopen kan. Geen wonder! Was hij niet naar Bethlehem gekomen, omdat hij uit het geslacht Davids sproot?
En toch had van die twee het jonge vrouwtje het meest de aandacht getrokken.
Het was eigenlijk schande, zo zeiden zelfs de lieden, die haar huisvesting moesten weigeren, haar in de toestand, die grote reis van haar woonplaats Nazareth naar Bethlehem te moeten laten afleggen. Want zij verkeerde in de hoop van weldra moeder te worden.
En toch, als daarop door medelijdende mensen gezinspeeld werd, kwam er zulk een gelukkige glimlach op haar gelaat, alsof geen mens ter wereld de grote gelukzaligheid, welke haar wachtte, begrijpen kon. En het was vermoedelijk wel om het jonge, ieders hart innemende vrouwtje, dat men ten slotte voor haar en haar geleider een verblijf vond in een stal, waar de dieren wat moesten inschikken voor dit mensenpaar, arm naar de wereld, maar toch van koninklijken bloede.

Droeviger konden de tijden niet worden, nu op een enkel machtwoord van een vreemde heerser de afstammelingen van koning David zelfs bij de beesten in een stal werden gestopt. Was het niet door heel het vaderland heen, ja eigenlijk, naar zij zo nu en dan vernamen, over heel de wereld ellende? (...) Niet ťťn van de tien Geboden. Of men zondigde ertegen. Het was als in de dagen van Noach, toen God de grote vloed gezonden had, om de mensheid te verdelgen. Eigenlijk nog erger. Iedereen voelde, dat het zůů niet kon blijven, allereerst niet met IsraŽl, waar koning Herodes, een uitverkorene der Romeinen, een deel van Davids rijk bestuurde. Waar bleef dan toch de beloofde Verlosser uit die ellende? (...) Waar moest die verlosser vandaan komen! Een Koning der toekomst, en wel zulk een als nog nooit de aarde had voortgebracht, moest wel in purper geboren worden. Rijkdom, praal en pracht en wijsheid en geleerdheid moesten zijn jonge jaren omringen ter voorbereiding voor zijn grootse taak. Hoe zou dit kunnen geschieden, onbespied door die dienaren van de Keizer van het Romeinse rijk, die, 'geheel de wereld' liet beschrijven? Hoe zou nu de Christus, de Messias, de Verlosser, het Heil der wereld, onder die 'beschrevenen' kunnen zijn! Neen, dat was onmogelijk.
En in die ontmoedigende gedachten zagen de herders in Efrata's velden op naar de sterrenhemel.
Maar wat was dat?
Het werd stil, stil, ontzaglijk stil. De nachtwind hield de adem in, en zie, daar rezen de dieren op uit hun slaap, en de herdershonden letten daar niet meer op, evenmin als hun meesters. Al wat leefden in planten, dieren en mensen werd als 't ware getrokken naar die hoge hemel.





Dŗŗr....waren het geen sterren meer, maar werelden van licht, en als een zon overstraalde haar in majesteit de wonderbare ster boven Bethlehem.
(...) Een ontzag kwam over de herders, en juist zou dat ontzag verkeren in angst, toen eensklaps een groot licht van de hemel neerdaalde, en daaruit, terwijl zij neervielen, zich met de handen de ogen beschermende voor die mťťr dan zonneglans, een stem tot hen kwam, onuitsprekelijk liefelijk als de eerste morgengroet Van een rijzende voorjaarsdag:
'Vreest niet....',
Niet vrezen? Als daar een bode van God komt, van Hem, de Rechtvaardige, maar wie kan voor die rechtvaardigheid bestaan?
Vreest niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal,
'namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids.'
'En dit zal u het teken zijn: gij zult in het Kindeken vinden in doeken gewonden en liggende in en kribbe.'
De stem van de bode Gods zweeg en toch zal zij blijven spreken zolang er mensen op aarde leven. (...) Want van stonde aan was daar met de Engel een menigte van hemelse heirlegers, prijzende God en zeggende: 'Ere aan God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.'
Toen zeiden de herders tot elkaar: 'Laat ons dan henen gaan naar Bethlehem en laat ons zien, het woord dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft kond gedaan.'
Zij haastten zich nu stadwaarts, en de jonge herder hand hun wel ten gids kunnen zijn, wanneer de ster van Bethlehem hen niet geleid had. Want nu was hem geopenbaard het zoete geheim van de glimlach van je jonge vrouw met de mooiklinkende naam Maria, wanneer zij opwaarts zag naar de hemel.





In de stal vonden zij Maria en haar begeleider Jozef en het kindeke liggende in een kribbe. Dat kindje der armoede, geboren in een stal, zou de Koning der Toekomst zijn. Tot Hem, die niet eens een wiegje had bij zijn geboorte, zouden eens alle volkeren komen.
Ach niemand in de stad had het wonder van die juichende hemel aanschouwd. Niet de machthebbende en groten en aanzienlijken en wijzen en geleerden der stad waren gewekt geworden door Gods bode. Die was gegaan tot eenvoudige herders, en zij waren de eerste aanbidders van het Kindeke, dat een nog machtiger koning zou worden dan zij zich konden voorstellen.
Maar al hadden zij gezwegen, toen de hemelen juichten, zoveel hemel zit er wel in het menselijk hart, dat het een grote vreugde onmogelijk voor zichzelf alleen bewaren kan. Want toen zij de jonggeboren Verlosser aanschouwd hadden, 'maakten zij alomme bekend het woord, dat hun van dit Kindeke gezegd was.'
En als het inderdaad waar is, dat ook ůns de juichkreet: 'Jezus is geboren! 'door ziel en zinnen is gegaan, dan moeten we als vanzelf dit voorbeeld van de herders volgen.
Wees niet bevreemd, dat door de mededeling van dit grote geluk uw hart leger en armer zal worden! Het is een wonder op zichzelf, dat hoe meer we daarvan aan anderen uitdelen, hoe rijker de bron zal opwellen (...)
En evenals de herders zullen we wederom tot onze gewone bezigheden terugkeren, 'verheerlijkende en prijzende God over alles wat (we) gehoord en gezien (hebben).'



*************************************************



Het Kerstboek, Meulenhoff, 1923, geÔllustreerd door E.M. ten Harmsen van der Beek, met bandtekening van Jan Wiegman