Liefdewerk in tijden van de cholera te Brielle

door Jenneke Groeneveld



In de collectie van het stedelijk museum van Brielle berusten twee penningen*) die herinneren aan de cholera-epidemie van 1866. Aan de ene zijde van de bronzen medaille ziet men Aesculapius (de god van de geneeskunde) de hand uitgestrekt boven een slang kronkelende om een staf en de woorden: "Ob Cives Servatos".
Aan de keerzijde een krans met de woorden:
"Voor goede zorg en hulp bij het heerschen der Cholera Asiatica in 1866". En binnen die krans staat: "Door Z. M. den Koning toegekend aan H. de Jager".
Op de andere zilveren medaille zien we aan de ene zijde het "Brielse Wapen"en op de andere zijde de tekst: "Aan den Heer ds. H. de Jager als lid der Cholera commissie 1866". Daaromheen staan de woorden: "De dankbare burgerij van Brielle".

Naar aanleiding van de in 1923 aan de gemeente Brielle geschonken medailles schreef Johan Been voor de regionale krant het artikel "Een braaf en dapper Briellenaar". Hierin schetst hij een beeld van de sfeer in het stadje tijdens het bange cholera-jaar 1866. Tussen de regels door vertelt Been iets over zijn eigen jeugdherinneringen aan het cholera-jaar. Maar de bedoeling van Beens artikel is natuurlijk geweest nog eens een postume ode te brengen aan de brave en dappere Briellenaar dominee De Jager, die zoveel troost gebracht heeft aan de choleraslachtoffers tijdens de pandemie van 1866.

Het cholera-jaar en de Brielse gemeenschap

'Voor die wonderlijk geheimzinnige ziekte', zo begint Been zijn verhaal, 'waarvan men de oorzaak niet wist op te sporen en waarvoor men dus niet wist op welke wijze zich te beschermen, huiverde iedereen. Van mensen, die men nog kort tevoren in de volle fleur van hun gezondheid ontmoet had, hoorde men plotseling de doodsmare. 's Avonds ging men naar bed, zich bevende afvragende, of men het licht van de volgende morgen zou zien dagen. Luidden de klokken van de Sinte-Catharina, een huivering voer de kerkgangers door de leden: zou deze tempelgang hun laatste zijn? Zou in de nieuw aangebroken week eigen huisgezin uit elkaar gescheurd zijn, de nu vriendelijke kinderkopjes van eigen kroost weggesloten worden achter het deksel van een haastig in elkaar getimmerde doodkist? (.) Wat eraan te doen! Zat de besmetting in de lucht? Men wist het niet. Men beweerde het. (.) De moordende ziekte heerste het ergst in wijk Zes (het Prinsenkwartier, J.G.), waar men elke avond teertonnen aanstak, een angstaanjagend en toch prachtig schouwspel, dat ik, nog een kind zijnde en zonder het ontzaggelijke ervan te beseffen, van de wal af te zomeravond aanschouwd heb, en heel mijn leven is mij dat bijgebleven. En dan die begrafenissen, altijd maar door, ook 's avonds, om toch maar spoedig het besmettelijke lijk buiten de woning gevoerd te hebben. (.) En die huizen zelf werden geschuwd als de pest. Die plotselinge ellende was voor de angstige lotgenoten om gek van te worden. Ze zochten in de kerk bij elkaar saamhorigheid en steun. Stilzwijgend zaten ze daar in de Sinte-Catharinekerk, maar met een zwijgen, dat telkens, eerst voorzichtig, maar dan geleidelijk aan pas verbroken wordt, wanneer de mensen zich eindelijk weer eens hl klein gevoelen.'



Hendrik de Jager, vrijzinnig predikant en geestelijk verzorger

Ds. H. de Jager, sinds 1862 als vrijzinnig predikant verbonden aan de Catharijnekerk, liet het niet bij preken alleen. Zijn intelligentie, ijver, werkkracht en empathie zette hij ook in ten nutte van belangen van meer maatschappelijke aard. En toen men hem daarom vroeg, aarzelde hij niet om lid van de cholera-commissie te worden, een hoogst gevaarlijke onderscheiding in die dagen. Hij wierp zich op als helper van de choleraslachtoffers en heeft daarbij de besmette huizen niet gemeden. Zo is hij voor de kleine Brielse gemeenschap een trooster geweest in de bangste jaren van de stedelijke geschiedenis. 'Ik heb zelden,' vertelt Been, 'een persoonlijkheid gekend z wars van eigen roem en verheerlijking als die goeie, beste, gezellige, bovenal eenvoudige ds. De Jager. Wie heeft hem ooit horen vertellen, dat hij delen mocht in Koninklijke erkenning van het braaf en kloeke gedrag van de kloeken luiden uit de benauwde dagen? Zeker, ook hij bezat redding medailles, maar niet verworven in storm of watersnood, maar tijdens dat akelige, stille, kille, huiveringwekkende heersen van de vreselijke cholera.'

De cholera in Brielle

Het was in 1866 niet voor de eerste keer dat de cholera in Brielle toesloeg. In 1832 werd het stadje ook al geteisterd door een cholera-epidemie. Het aantal doden bleef toen beperkt tot ongeveer dertig. Men besloot de cholera-doden niet op het Sinte-Catharinakerkhof te begraven, maar buiten de stad op een stuk grond, het zogenaamde Doolhof, gelegen aan het einde van de Jan Matthijssenlaan. Een en ander leidde ertoe dat er in dezelfde omgeving een begraafplaats werd aangelegd die in 1847 in gebruik werd genomen.
Na de pandemie van 1866 die toen 50 slachtoffers eiste, werd de Brielse bevolking in 1892 opnieuw opgeschrikt toen er vlak in de nabijheid, in het dorpje Tinte, plotseling cholera uitbrak. Onmiddellijk werden er tegen het dreigend gevaar voorzorgsmaatregelen genomen. Ook nu benoemde de gemeenteraad een cholera-commissie, die met, zo lezen we in de krant, lofwaardige ijver aan het werk toog. Huis aan huis werd de toestand van privaten (wc's), varkenshokken en mestvaalten aan onderzoek onderworpen. Hier en daar werden sloten gedempt en riolen aangelegd. De 'barak' op het Havenhoofd werd verbouwd tot cholera-ziekenhuis en, verschrikkelijk voor de jeugd, ook de jaarlijkse kermis kon in 1893 vanwege het besmettingsgevaar niet doorgaan. Maar achteraf gezien was deze voorzorg niet nodig geweest. Voor zover bekend eiste de uitbarsting van 1892 in Brielle geen slachtoffers.
In datzelfde jaar werd een nieuw werkzaam vaccin tegen cholera uitgevonden. Een berichtje in de Nieuwe Brielse Courant vertelt ons dat men in de zomer van 1893 in Brits -Indi met de inenting tegen cholera was begonnen.

Om de Briellenaren van het belang van inenting te overtuigen, richtte De Jager zich tot hen met een door hemzelf geschreven circulaire:



Hendrik de Jager, dominee en archivaris

Zoals uit bovenstaande blijkt heeft ds. De Jager zich naast zijn predikantsambt ook op andere terreinen verdienstelijk gemaakt. Naast zijn aanstelling als lid van de cholera-commissie in 1866 en later van de commissie tot wering van de pokziekte, werd hij, in dat jaar ook nog tot curator van het Gymnasium benoemd. Maar zijn bekendheid buiten Den Briel heeft hij verworven met zijn taak als gemeentearchivaris. Rond 1871 werd hem gevraagd eens in het gemeentearchief te willen na sporen hoe de viering en herdenking van het tweede eeuwfeest 1572-1772 was verlopen. Toen hij op de stadshuiszolder, in het dakkamertje kwam, waarin het gemeentelijk-archief lag opgeslagen, betrad hij een wereld waaruit hij niet meer los kon komen. Naast zijn ambt als predikant wijdde hij vanaf die tijd al zijn vrije tijd aan onderzoek in het gemeentearchief. Het resultaat van al die arbeid waren tal van boeken en tijdschrift- en krantenbijdragen.
Rond 1875 klopte Johan Been bij hem aan. De Jager had plezier in de leergierige jongen die evenals hij zelf ook geboeid werd door de oude paperassen, en wist zijn bevlogenheid en werkdiscipline op hem over te brengen. Samen zaten zij gebogen over eeuwenoude folianten, charters, resolutieboeken en stadsrekeningen, speurend naar de geheimen van Brielles verleden.
In 1892 werd predikant De Jager om gezondheidsredenen emeritaat verleend. Daarna vertrok hij in 1894 naar Den Haag; een jaar later volgde Been hem als archivaris op. Echter, ook na het vertrek van de oud-archivaris hield hun samenwerking stand. In een werk dat De Jager een week voor zijn overlijden op 7 juni 1903 het licht deed zien, bedankte hij 'zijn verdienstelijke opvolger, de Heer Joh. H. Been' door wiens welwillendheid hij in staat was geweest deze laatste studie te voltooien.'

Johan Been, archivaris en conservator

Daar Beens interesse zich ook uitstrekte naar het behoud van kunst of andere voorwerpen van cultuurhistorische of wetenschappelijke waarde, probeerde hij in Brielle een museum van de grond te krijgen. Dit lukte in zijn tijd niet helemaal; het werd daarom een museumpje, een oudheidskamer. Hoe eenvoudig ook, naar uitbreiding en het intact houden van de kunstvoorwerpen werd voortdurend gestreefd. Heel verrassend moet het dan ook voor Been geweest zijn toen hij in 1923 de collectie uit kon breiden met twee bijzondere medailles van zijn door hem zo vereerde leermeester Hendrik de Jager. De medailles werden hem na het overlijden van de echtgenote van de heer De Jager ten behoeve van het museum toegezonden door haar broer Dr. C. Lely, oud-minister van waterstaat en zwager van ds. De Jager.
In het krantenstukje dat Been hierover schrijft, hoopt en vertrouwt hij erop dat de schenking gewaardeerd zal worden. 'Te meer omdat een van de twee medailles een prachtgetuigenis is voor de geest van de Brielse burgerij uit datzelfde verschrikkelijke jaar 1866.' En dat niet alleen, maar vooral ook omdat deze medailles werden uitgereikt aan een bijzonder iemand. Iemand die vrij van persoonlijke baatzucht en met gevaar voor eigen leven liefdewerk verrichtte in tijden van de cholera.


~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~



*) De getoonde medaille is niet de medaille uitgereikt aan de de heer H. de Jager, maar dient hier slechts als voorbeeld.