De Royal Charles van Chatham naar Hellevoetsluis

Een aanvulling op het Kalenderblaadje van 5 juli 1667 *)

door Jenneke Groeneveld



In 1667 werd het Engelse oorlogsschip de 'Royal Charles' door Nederlandse oorlogsschepen op de Medway bij Chatham (de marinebasis van de Engelse vloot) veroverd en als trofee meegevoerd naar Hellevoetsluis.

'Nooit grooter victoria voor Nederland!',

schreef de scheepsdominee van den Vice-Admiraal De Liefde, Noach Francken, die de verovering van de Royal Charles had meegemaakt, aan zijn vader.
'Den ganschen tocht had deze moedige dominee medegemaakt', schrijft Johan Been in zijn Kalenderblaadje*) 'en kreeg voor zich als aandeel uit den buit van het schip, een Japanschen rok of japon!'
'O, duizenden snelden naar de mond der maze, om zich in het aanschouwen van het koninklijk Admiraalsschip, weleer de schrik der zee, te verlustigen.
Daar bij de ingang van het Haringvliet op de forteresse de Hellevoetse Sluys, werd het schip, min of meer om de Engelsen te kwellen, als oorlogsbuit tentoongesteld.'

Over de Hellevoetse periode van de Royal Charles schreef Been behalve het Kalenderblaadje in de 'Brielse Courant' van 1898, ook nog een omvangrijk artikel in zijn boek Historische Fragmenten. Voor de jeugd schreef hij de spionageroman De Avonturen van Kokkie en zijn maats. In dit jongensboek draait het om een Engels plan om de Nederlandse vloot in brand te steken. De Schot John Fraser**)een bekend en gevreesd brandstichter heeft het op de Nederlandse vloot voorzien. Zo doet Fraser (in het boek) ook een poging het buitgemaakte schip 'The Royal Charles' in brand te steken. Deze poging wordt natuurlijk verijdeld door Kokkie en zijn maats. Been besluit dit (geromantiseerde) jeugdboek met een naschrift waarin hij een aantal feiten betreffende de Royal Charles op een rijtje zet.***)



Waarschijnlijk had de historische brandstichter John Fraser de angst voor brand flink aangewakkerd. Die was namelijk in 1673 in Amsterdam gesnapt en daar ter dood veroordeeld.
In datzelfde jaar moest het schip dus 'om staatkundige redenen' gesloopt worden. In zijn artikel 'De Royal Charles' schrijft Been dat 'het een gevaarlijke eer was het koningsschip in de haven te hebben liggen.[...] En dat het schip 'gevaar kon loopen door de Engelschen zelf hernomen of in brand gestoken te worden'.
Het voorstel het schip te slopen werd bij de Staten van Holland in behandeling gebracht. Op 24 april 1673 werd het schip, na zes jaar in Hellevoetsluis gelegen te hebben voor vijfduizend gulden voor de sloop verkocht aan een opkoper. 'En op deze roemlooze wijze', schrijft Been, 'verdween het reusachtige schip uit de geschiedenis, dat, eerst als de Naseby een uittarting voor Karel den Tweeden, en toen als de Royal Charles ůůk een uittarting voor heel het Engelsche volk was geweest.'****)

De prachtig gebeeldhouwde spiegel (de versiering op het hoge achterstuk van het schip), met het wapenschild van de Engelse koning Charles II was er al een paar jaar eerder afgehaald. Deze spiegel was uit voorzorg in Hellevoetsluis in het marine-magazijn aan de Oostzanddijk ondergebracht.
Na zo'n 150 jaar daar gelegen te hebben, werd het houtsnijwerk opnieuw ontdekt door de in Hellevoetsluis bekende Schout-bij-nacht J.S. May*****) Hij liet de bijzonder mooie spiegel van het schip naar Rotterdam overbrengen, en liet het daar in de wapenkamer van het grote marine-magazijn boven de deur ophangen. Maar om het unieke stuk beeldhouwwerk met zijn bijzondere historische waarde helemaal tot zijn recht te laten komen, werd het in 1883 door de Koninklijke Marine aan het Rijksmuseum geschonken.
In 2012 mocht het wapenbord weer even terug over de Theems naar Greenwich om daar tentoongesteld te worden. De blik van de Engelse en Nederlandse bezoekers zal vast een beetje gekleurd zijn geweest, maar na zoveel jaren is alles natuurlijk wel vergeven en vergeten. Iedereen keek dus met plezier naar het houtsnijwerk. Alleen een enkele trotse Hellevoeter zal misschien gedacht hebben: 'haha, dat prachtstuk heeft 150 jaar bij ons in het magazijn gelegen'.



*) Zie kalenderblaadje van 'Brielsche Kalender' op de homepage van deze website, door Johan Been

**)John Fraser, een historisch figuur, werd rond 1672 door de Engelse regering omgekocht om bepaalde schepen in Holland, waaronder de Royal Charles in brand te steken.

***)Historische Fragmenten door Johan Been, v.a. blz. 167.

****)Naschrift in Kokkie en zijn Maats:'(...)Oorspronkelijk heette het schip de Naseby, naar de overwinning van Cromwell's "Rondkoppen" op de overblijfselen van het leger van Karel I. Toen nu door een omwenteling het Huis der Stuarts in Engeland weer aan de regering kwam, werd de zoon van de onthoofde koning Karel 1, n.l. Karel II, uit ons land, waar de balling te Breda een toevlucht had gevonden, afgehaald, waartoe natuurlijk het prachtigste schip moest dienen, dat men in Engeland bezat. Ongelukkig was dat de Naseby, waarom men het gauw omdoopte in Royal Charles, en daarmede vertrok in 1662 de nieuwe Koning van Scheveningen naar zijn rijk.
Hoe nu de 22ste Juni 1667 bij gelegenheid van de tocht naar Chatam juist dit schip door ons veroverd en vervolgens te Hellevoetsluis gestationneerd werd, weet men. Ook, uit ons verhaal, weet men welke een uittarting dat voor de Engelsen was en bleef. Zeker zou het voor een vrede met Engeland een geduchte sta-in-de-weg geweest zijn.
Op de 2e maart 1673 nu werd in de Vroedschap van Den Briel besloten, om in de Staten-vergadering van Holland en West-Vriesland aan te dringen 'opt transport ende ontslopen ofte slyten' van dat schip.(...) De 24ste april 1673 had de verkoop plaats, en voor 5000 gld. werd een zekere Kerckhoff (een uitgezochte naam hiervoor!) de eigenaar van het schip, waarvan echter het rondhout aan de Staat zou verblijven. Het koningswapen werd eerst te Rotterdam in het Arsenaal bewaard, kwam vervolgens in het Rijks Museum. Hier nog bijgevoegd, dat de wapenborden er reeds einde 1670 waren afgenomen.'

*****)In 1822 diende J. S. May op eigen initiatief bij de minister van Marine een memorie met kaartproject in voor het graven van een kanaal door het eiland Voorne tussen de marinehaven Hellevoetsluis en het - inmiddels verdwenen - dorp Nieuwesluis aan de Brielse Maas. Hiermee zou aan oorlogsfregatten, maar ook aan grote koopvaardijschepen een kortere en diepere toegangsweg naar Rotterdam kunnen worden geboden. Begin april 1827 werd met de aanleg van het Voorns Kanaal begonnen. DrieŽnhalf jaar later werd het geopend.